Onze andere sites
Lezentv

Rob Waumans: Als je de stad binnenrijdt

Over macht en willekeur

Rob Waumans’ debuut beschrijft op het eerste gezicht de ontsporing van Gert Verhulst, een contactgestoorde parkeerbeheerder bij Dienst Stadsbeheer, maar het biedt vele aanknopingspunten voor een gesprek over macht, willekeur, generatiedenken, autoriteit, politiek en boosheid. (34 minuten)


Wat heb je voor een boek geschreven?
Ik heb een boek geschreven over Gert Verhulst, een parkeerbeheerder die zijn werk en privé-leven niet gescheiden kan houden. Hij is een man die moeite heeft met sociaal en menselijk contact. In zijn baan kan hij zich wel heel erg uiten, maar dan op een andere manier dan een normaal mens; hij brengt er zijn frustraties in onder. Verhulst probeert alles te snappen en vraagt zich af: wat is er eigenlijk allemaal gebeurd in mijn leven?

Want wat is er precies met hem?
Hij heeft op het eerste gezicht een heel overzichtelijk leven. Hij is überfanatiek, controleert alles elke dag. En hij heeft ook een aantal regels voor zichzelf; zo doet hij zijn werk lopend of begint vaak een uurtje eerder.

Tot hier is het de ideale werknemer.
Het ís de ideale werknemer. Alleen gaat het hier om een functie waarbij de gemiddelde mens denkt: wat een irritante kwast. Je bent inderdaad een ideale werknemer als je een nuttige baan zou hebben, maar dit is een baan waarbij je boetes uitdeelt aan onschuldig parkeerders. En er zijn meer dingen aan de hand. Zijn moeder is overleden, hij heeft een hele hechte relatie met zijn oom Don. Naarmate de tegenslagen in zijn leven vorm beginnen aan te nemen, wordt zijn frustratie groter. Die gemotiveerde medewerker wordt dan een hele vervelende, nog fanatiekere, onredelijkere parkeerbeheerder die eigenlijk alle grenzen overschrijdt die te overschrijden zijn. Dan volgt natuurlijk de vraag: hoe lang gaat het goed en wat levert het op?

Als ik psycholoog was, dan zou ik zeggen: hij is een slecht gehechte, affectief verwaarloosde man die op een ander terrein een enorme bewijsdrift ontwikkelt.
Ja, maar die parkeerbeheerder is een metafoor.

Wat is de metafoor?
Nou, een baan hebben waarbij je alle frustraties botviert die je in je dagelijks leven niet kunt uiten. En dat is nu een parkeerbeheerder, maar dat had ook net zo goed een scheidsrechter kunnen zijn. Een functie waarin macht en willekeur een rol spelen. Dat is voor mij de metafoor. Toen ik wist dat het een parkeerbeheerder ging worden, toen begreep ik meteen dat ik er alles aan op kon hangen. Want zo veelzeggend is die baan ook wel weer. Dus eigenlijk is het maar een halve metafoor, want het is ook gewoon de werkelijkheid.

Die macht begrijp ik heel goed, maar de willekeur begrijp ik iets minder goed. Kun je dat uitleggen?
Macht is naar mijn mening sowieso altijd willekeur. Macht is vaak het zelf invullen van regels. Deze parkeerbeheerder bekeurt een auto op de ene dag niet, maar naarmate zijn frustratie toeneemt doet hij dat dan ineens wel. Hij laat zich beïnvloeden door wat er in zijn leven gebeurt.

Want scheef parkeren mag ook niet.
Nee, absoluut niet. En ook niet buiten het vak parkeren. Het grappige is dat ik nu zelf ook altijd op straat kijk of auto’s wel in het vak staan. Zo erg word je nog besmet door je eigen hoofdpersoon.
Maar wat de willekeur betreft: naar mijn mening zijn macht en willekeur onlosmakelijk met elkaar verbonden. Bij scheidsrechters heb je dat ook. Ik zie bij de ene scheidsrechter een rode kaart te voorschijn getoverd worden en de andere staat nog niet eens een vrije trap toe. Dus die willekeur zit er altijd.

Beschrijf je in je boek je afkeer tegen autoriteit?
Dat is niet mijn intentie geweest van dit boek, hoor. Maar het valt niet te ontkennen dat ik enigszins moeite heb met autoriteit. Ik heb me laatst laten vertellen dat dat een generatieprobleem is.

Leg eens uit.
Blijkbaar zijn mensen van mijn leeftijd allemaal tegen autoriteit. Ik heb er moeite mee, ik vul gewoon graag mijn eigen leven in. Ik heb moeite met het feit dat iemand zegt wat ik moet doen.

Dus je hebt bezwaar tegen autoriteit?
Ja. Ik kan er niet tegen als er dingen voor mij beslist worden die niet op rechtvaardigheid berusten. Soms, als ik aan het voetballen ben en iemand schopt me, dan lig ik. Of ik nou wel of niet wil, ik val. En dan zegt de scheids: ‘opstaan, er is niks aan de hand.’ Dat is een interpretatie. Je kunt ook zeggen: ‘ik vind dat er niks aan de hand is’. Maar er is dus wél wat aan de hand. Daar kan ik dus echt niet tegen. En dat is met parkeerbeheerders ook. Ik zag gisteren weer een paar parkeerbeheerders die rondreden op een scooter. Die reden heel hard toeterend en slingerend over het fietspad waar ze fietsers nog net niet van de sokken reden. Nu wil ik me niet vereenzelvigen met mijn hoofdpersoon die dat lui vindt, maar dat vind ik zelf niet normaal.

Dat mobiliseert ergernis.
Ja. En al helemaal als zulke dan ook nog eens horen bij de Dienst Stadstoezicht. Daarmee wordt gesuggereerd dat je de stad een beetje in de gaten houdt. Kortom, ik heb moeite met autoriteit, maar dat hebben veel mensen.

Wat bracht je bij het schrijven van dit boek?
Mijn boek bestond voornamelijk uit het leven van Gert Verhulst. Hij heeft verdriet gehad over het verlies van zijn moeder, hij heeft een problematische relatie met zijn broer. Dat was voor mij iets wat er echt uit moest, deze Gert. En Gert, dat is ook zo’n droge naam. Dat spreekt wat mij betreft ook heel erg tot de verbeelding, zo’n naam; die was er ook als eerste.

Ik ga een hele moeilijke vraag stellen, maar waarom moet het eruit?
Toen ik voor het eerst over Gert Verhulst schreef, was het een kort verhaal. Toen het af was, schreef ik wéér een kort verhaal dat opnieuw over hetzelfde ging. Dat bedoel ik met ‘dat moet er dan uit’.

Hij komt dus telkens terug.
Hij komt telkens terug. En je kunt eigenlijk nergens anders meer over schrijven, daar kwam het bij mij op neer. Elke keer de vergelijkbare sfeer, dezelfde korte verhalen. Toen ervoer ik voor het eerst hoe het voelt als er iets uit moet.

Waarom heb je hem geplaatst in het decor van Stadstoezicht?
Ik was op zoek naar iets wat die Gert Verhulst herkenbaard maakt. Je ziet ze elke dag lopen, die parkeerbeheerders. De zesentwintigste keer dat ik ze zag viel het kwartje. Ik dacht: dit is het. Ze spreken erg tot de verbeelding, je kunt er veel aan ophangen. En dan nog het feit dat het in een stad gebeurt. Gert is heel dynamisch, loopt overal. Je kunt er een element van een stad aankoppelen, dat vind ik heel interessant.

Hoe verloopt dat proces bij jou? Die Gert dringt zich op en die moet eruit?
Ja, ik verzin het verhaal van tevoren niet. Het begint met een korte scène waarin Gert als persoon heel erg naar buiten komt. Als je dat nog eens doet, dan wordt die persoon steeds groter. Dan komt die parkeerbeheerder erbij, maar op een gegeven moment weet je zelf ook niet waar het naar toe gaat.

Je werkt niet met een plan?
Nee. Dat heb ik geprobeerd, maar dat werkt totaal niet bij mij. Ik ging eerst altijd op zoek naar het verhaal. Ik dacht dat je dingen moest uitdenken: er zijn een man en een vrouw en dan gebeurt er dit en dit. Dan heb je een heel uitgewerkt plan en dan hoef je het alleen nog maar te tikken. Dat werkt niet.

Waarom niet?
Ik heb geen flauw idee. Zodra ik een heel raamwerk had van hoe het verhaal vorm moest krijgen, dan werd het een slecht verhaal. Een verhaal zonder ziel.

Wat maakte dat je die manier van werken hebt losgelaten?
Omdat ik op een gegeven moment dacht: dit werkt niet, een roman schrijven werkt niet. Dus ik ging korte verhalen schrijven. Dat werkte meteen, want toen kwam die vervelende Gert Verhulst mijn hoofd binnen. Dat verhaal werd gepubliceerd in een literair tijdschrift. Dat was voor mij de bevestiging dat ik op de goede weg zat. Ik schreef toen een tweede verhaal, dat weer over Gert Verhulst ging. Dat verhaal werd almaar groter en toen dacht ik: Hé, volgens mij heb ik hier wel een roman. Toen kwam die parkeerbeheerder erbij en had ik een paar scènes in mijn hoofd. Maar toen dacht ik: wat nu? Toen heb ik een synopsis geschreven, maar die lijkt helemaal niet op wat het geworden is. Maar door zo’n synopsis ga je toch nadenken over motieven en thema’s. Ik heb wel eens een week vrij genomen om in de ochtend, middag of avond gewoon te gaan zitten en te gaan schrijven. Dan wist ik helemaal niet waarover.

En is dat avontuur of is dat ook beangstigend?
Dat is heel beangstigend. Als je een beetje praktisch bent ingesteld, dan wil je natuurlijk weten waar je aan begint. Maar toen liet ik dat toe op de een of andere manier. Als ik me afvroeg waar ik over moest schrijven, dan schreef ik gewoon een woord op papier en dan begon het.

Hoe gaat dat dan?
Ik dacht van te voren: ik begin aan iets, maar wat ga ik opschrijven? Als ik niks weet, dan tik gewoon een zin. En ik ben dan ook echt verbaasd over mijn eigen scènes. Ik heb er wel eens een geschreven waarbij ik, toen hij klaar was, diep zuchtte van verbazing.

Dat lijkt me magisch.
Dat is ook magie. Dat vind ik het meest fascinerende en het leukste van schrijven. Ik heb ooit een keer iets gehoord over Tom Waits. Dat is een niet al te vrolijke singer/songwriter, maar wanneer hij een nummer gaat schrijven, dan denkt hij: ‘Ik ga zitten en dan komt het wel. Ik ben in staat om een liedje te schrijven, de rest komt tot mij.’ Dat samen maakt dan een nummer. Hij zei: ‘Ik zat een keer in de auto en ineens kwam dat nummer tot mij. Maar je ziet toch dat ik aan het rijden ben? Ik heb helemaal geen tijd om dat nummer op te schrijven, dus kom vanavond maar weer terug.’ Hij zag het als iets dat los staat van hemzelf. Dat is fascinerend en dat heb ik zelf ook aan den lijve ondervonden.

Zitten er meer van die Gerten in jouw hoofd? Personages die eruit moeten?
Ja. Nu zit er weer eentje die moet gaan leiden tot mijn tweede boek. Zo’n idee gaat zich nestelen en groeit in je hoofd. Het personage wordt alleen maar ingewikkelder. Twee jaar geleden had ik in deze situatie gedacht: Hoe moet ik verder als ik nog niet eens weet waar het boek over gaat? Nu weet ik hoe dat werkt. Je hoeft er alleen maar te zijn en te gaan zitten, dan komt de rest vanzelf. Of dat hoop ik dan maar.

Wat doe je in het dagelijks leven?
Ik werk vier dagen in de week bij de Universiteit van Amsterdam als projectleider.

Dus je hebt macht.
Ja, maar dat is weer andere macht. Ik denk dat je met die instelling heel slecht projecten kunt leiden. Ik geef mensen juist altijd heel veel vrijheid, want ik weet hoe het bij mezelf werkt als ik veel vrijheid heb.

Maar als het erop aan komt dan heeft de baas macht, toch?
Ja, zo heb ik er eerlijk gezegd nog nooit over nagedacht. Maar als je leiding geeft heb je op z’n minst invloed. Maar de macht is hier op een heel ander niveau dan het personage denkt te hebben.

Is het in de kern echt anders?
Een leidinggevende functie draagt een andere macht in zich dan die van een parkeerbeheerder of iemand die de regels hanteert en moet zorgen dat die worden nageleefd. Een parkeerbeheerder heeft een-op-een contact met degenen die zich aan de regels moeten houden. Een leidinggevende daarentegen heeft te maken met andere invloeden; die moet zorgen dat mensen hun werk goed doen, want dan gaat zijn afdeling goed.

Maar personeel werkt ook altijd scheef?
Soms moet je directief zijn. Je moet zorgen dat mensen hun werk goed doen. Je moet weten hoe je iemand benadert om het beste in diegene naar boven te krijgen. Dat doet een parkeerbeheerder natuurlijk veel minder. Die beoordeelt elke auto als een nummer en is daar is minder subtiel in.

Ik wil nog graag even teruggaan naar wat je zegt over jouw generatie. Hoe kijk jij naar jouw generatie?
Ik ben heel blij met mijn generatie. We hebben de evolutie van laptops en iPads meegemaakt. Ik ben nog steeds verwonderd als ik een iPad zie. Zelf heb ik een iPhone, maar ik ben dagelijks verbaasd over zijn mogelijkheden. Als ik in de stad ben en ik verdwaal, dan kan ik met één druk op de knop zien waar ik ben en waar ik moet zijn. En kinderen die pakken een iPhone, klikken op een icoontje en weten dat het spelletje begint. Maar de achterliggende techniek en ontwikkelingen begrijpen ze totaal niet. Jongeren weten hoe ze met Windows moeten omgaan, maar als iets niet werkt dan weten ze niet waarom. Wij hebben die ontwikkelingen wat bewuster meegemaakt. Mijn generatie overlapt veel ontwikkelingen.

Is moeite hebben met autoriteit inderdaad een generatieprobleem?
Ik vind dat geen generatieding. Zo mocht ik vroeger bijvoorbeeld alleen op woensdagmiddag televisie kijken. Dat vond ik toen heel erg, want het beperkt je in je vrijheid. Maar toen ging ik altijd naar buiten, dat vind ik nu nog steeds fijn. Dus het heeft me ook heel veel opgeleverd. Dat zie ik bij de jongere generaties dan weer niet. Die hebben heel veel geld. Ik moest vroeger altijd een krantenwijk doen om leuke dingetjes te kunnen kopen. Hele zomers heb ik gewerkt. Het lijkt wel alsof dat minder gebeurt. Nu wil ik niet zeggen dat de generatie van nu alles zomaar krijgt toegeworpen, maar ik vind het wel tof om te zien dat een jongen bij ons in de wijk de kranten rond brengt. Dat deed ik vroeger ook. Als ik jongens van tien of twaalf jaar met een mobiele telefoon zie rondlopen, dan denk ik: op die leeftijd speelde ik oorlogje in het bos.
Hoeveel vrijheid je krijgt als kind of jongere, bepaalt heel erg hoe je wordt. Doordat ik vroeger altijd hard bollen moest rapen voor mijn centjes, besef ik dat als ik nu 500 euro overheb: Oh gaaf, daar kan ik iets moois van kopen. Ik weet ook dat als ik in de trein of tram zit je ook rekening moet houden met elkaar. Op een normaal volume bellen of met elkaar praten. Dat mis ik wel eens, niet alleen bij de jongere generaties maar ook bij de oudere generaties.

Maar heb je een politieke belangstelling?
Niet bovengemiddeld. Ik word er een beetje moedeloos van. Ik stem wel altijd, afgezien van de Tweede Kamerverkiezingen afgelopen zomer omdat ik op vakantie was. Vaak onttrek ik me bewust aan die politieke debatten. Er wordt veel over jou en mij gesproken, maar we weten vaak niet exact waarover het gaat. Waarom wordt Job Cohen tot in den treure aangesproken over hoe hij zich in de media gedraagt? Dat vind ik zo oninteressant. Waar gaat het nou echt om?

Waar gaat het volgens jou echt om?
Nou, over het leven. We zijn afgedwaald naar een tijdperk waarbij het blijkbaar heel tof is om als PVV-Kamerlid elk voorstel van een andere partij af te doen als nonsens en waanzin, maar op inhoud discussiëren over een eigen voorstel kun je niet. Waar zijn we dan in Godsnaam mee bezig?

Maakt het je boos?
Ja, dan word ik heel boos en dan onttrek ik me daaraan. Dan zet ik de televisie uit. Ik merk dat als ik er nu over praat, ik daar echt heel pissig over kan worden. Wij hebben voor hen gekozen zodat wij een land worden zoals we willen dat we worden.

Kan de politiek geen omgeving voor Gert worden?
Mijn tweede boek gaat over politiek. Ik heb nog niks op papier staan, maar de hoofdpersoon kan zich ontzettend opwinden over de politiek. Over kortzichtigheid, populistisch niet-inhoudelijke uitspraken bijvoorbeeld. Op het moment waarop ik tegenwoordig de televisie uitzet en zuchtend een sigaret opsteek, kijkt mijn hoofdpersoon gewoon verder. De ene helft van mijn generatie maakt zich daar ook heel erg boos over. De andere helft weet niet eens wat er speelt.

Kennelijk maakt dat je kwaad.
Ja, dat raakt me. Er zijn heel veel mensen die het niet weten. Tijdens de Tweede Kamerverkiezingen heb ik wel eens aan mensen gevraagd wat ze stemmen. En als je het niet wil zeggen, dan zeg je het toch maar. Als mensen een partij opnoemden, vroeg ik naar de partijpunten. En die wisten ze dan niet. Daar maak ik me zorgen over. Ik heb liever dat je niet stemt als je toch niet weet waarop je zou moeten stemmen. Want dat is al helemaal zonde van je stem. Daar maak ik me ook boos over, ja.

Bio
Citaat van de website van de auteur: Rob Waumans komt op 2 mei 1977 tien minuten later dan zijn broer ter wereld. In de dertig jaar die volgen woont hij in Heerhugowaard, Leeuwarden en Alkmaar waarna hij eind 2007 voor drie maanden naar Nepal vertrekt. Hier speelt hij gitaar bij kampvuren, loopt door het Himalaya-gebergte en drinkt zeer sterke, gore rum. Na zijn terugkomst in Nederland verhuist hij naar Amsterdam.
In 2009 begint Rob met het schrijven van korte verhalen en debuteert in datzelfde jaar in literair tijdschrift De Brakke Hond. Eerder publiceerde hij onder andere webcolumns op VIVA.nl en een kort verhaal in Het Beste van NightWriters (verhalenbundel).
_Als je de stad binnenrijdt_ is zijn debuutroman.